BOEKFRAGMENTEN
Pas op zijn 67ste is hij begonnen met schrijven.
Onder aanmoediging van zijn dochters en kleinzoons die als tweede en derde generatie Indo’s steeds meer interesse kregen in hun roots besloot Alex Bal zijn levensverhaal
op papier te zetten.
van een opgroeiende jongen die worstelt met zijn afkomst en puberteit, in tweestrijd tussen zijn Moeder- en Vaderland.
Carmen Bal
Het boek en mijn biografie
In dit boek heb ik mijn biografie verwerkt tot mijn eerste kennismaking met Nederland.
Om mijn afkomst en die van vele Indo’s (Nederlands Indische mensen) goed naar voren te laten komen, heb ik een impressie proberen te geven van Indiё vanaf rond 1600,
waarin de VOC een belangrijke rol heeft gespeeld en de periode Nederlands Indiё vanaf rond 1815 tot 1945.
Een groot deel van dit boek gaat over de periode vanaf 1951 tot 1963, die voor mij begon met de vlucht met mijn ouders van Java naar het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea.
Naast mijn belevenissen, heb ik het accent ook proberen te leggen op de gebeurtenissen van ver vóór tot de overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië.
Ik hoop hiermede een goede bijdrage aan mijn vele tijdgenoten uit Nederlands Nieuw-Guinea en ons nageslacht te leveren.
Fragmenten uit het boek: 'De laatste Indo' 
Indië
Koen Alexander Jan Bal
1613 - In de koelte van de schaduw, die de waringinboom hem bood dacht de 32-jarige Koen Alexander Jan Bal na over de lange barre reis die hij,
intussen bijna tien jaar geleden maakte en hoe het allemaal begon:

Uit zijn geboorteplaatsje Rilland in Zeeland was hij naar Amsterdam vertrokken met niet meer dan een zak met wat kleding en kleine dierbare spullen. Veel geld had hij niet bij zich.
Na een korte wandeling stapte hij een klein cafeetje aan de haven van Amsterdam binnen en bestelde wat te drinken.
Hij had goed uitzicht op het IJ waar enkele schepen voor anker lagen. Aan dek van het schip ‘Amsterdam’ was men druk bezig alles gereed te maken voor vertrek naar het verre Indië.
Stella, dat meisje met die mooie lichte ogen en dat lange haar is altijd van de partij. Alle jongens zijn wel verliefd op haar. Ze loopt graag heen en weer door de zaal en zie je de jongens
altijd naar haar kijken. Haar zusje Joyce begint ook al leuk te worden, alleen is ze nog plat. Stella heeft al alles erop en eraan. Hun broertje is dik, kort en lelijk.
“Hoe kan dat nou?” vroeg John een keer aan Tjali.
“Ja en dan, je weet toch, de moeder ook knap, maar nakal (stout). De vader sergeant van het KNIL, nooit thuis.”
“O ja?”
Toen ik 5 of 6 jaar was, veranderde er heel wat in mijn jonge leventje. Als de dag van gisteren kan ik me nog herinneren, dat er ineens zoveel mensen op visite kwamen.
Het bleken mijn oma te zijn met haar drie zoons en haar dochter met haar man. Al snel bleek dat ze niet alleen op visite kwamen, maar bij ons kwamen wonen.
Het liep tussen ons een keer zo hoog op, dat ze me op de galerij met een bezem achterna liep. Door mijn jeugdige leeftijd overklaste ik haar in snelheid en lachte haar uit. Toen ik echter stopte en omkeek zag ik
de bezem nog net op me afkomen, stoppen en tegen mij aan vallen. Dat laatste was me te veel. Ik gilde en riep dat oma me met de bezem had geslagen…
We kwamen in een vrij ruwe zee terecht. Hoge golven met schuim-koppen scheerden langs onze patrijspoort. Ik maakte het raampje open en stak wat toiletpapier buitenboord. Dat was een mooi
gezicht zo’n lange wapperende witte sliert in de wind.
Toen ik dat hoorde, gingen bij mij alle stoppen door.
Ik weet niet meer precies hoe mijn reactie was, maar kennelijk viel het niet binnen de toelaatbare Abrahamsz normen.
“En nu, direct de klas uit. Ga naar huis en maak je strafwerk maar!”
Plotseling werd het donker en doodstil
Nog steeds voelde hij die hevige pijnen en besefte dat hij nog leefde en opende zijn ogen. Hij zag zijn maten in de greppel liggen. De kogels waren deze keer verderop ingeslagen.
De gevechtsvliegtuigen vlogen gelukkig verder en hoopte hij op snelle hulp. Daar lag hij dan.
Door de pijn voelde hij nauwelijks, dat het bloed uit zijn wond gutste. Hij was niet in staat om op te staan en bleef liggen.
Later ontdekte hij in dat huis een lotgenoot, eveneens een Indische Nederlander. De man vertelde dat hij Leidelmeijer heette en ook was opgepakt en meegenomen.
Het was een schrale troost dat hij niet alleen was en het feit dat die Leidelmeijer nog leefde gaf hem enige hoop. Had hij dan toch in het ziekenhuis moeten blijven?
Hij zat hier gevangen, terwijl niemand wist waar hij was.
Buiten klonken stemmen. Hij weer door en gaatje en zag een paar mannen met arit en patjol in de hand, boeren die op weg waren naar hun akkers of sawah, langs lopen.
Hun werkdag begon weer en zou pas laat eindigen.
Verbaasd keken we de man aan. Mijn vader reageerde als eerste: “Wie bent u dan?”
“Ik woon met mijn vrouw hier zo’n tweehonderd meter verderop. Gaat alles naar wens? Misschien kan ik u ergens mee helpen. Ik ben trouwens Harry Lamers.”
En tegen mij en mijn zusje: “Noem mij maar opa Lamers, hoor!” “Bal, is mijn naam,” was mijn vaders antwoord. Mijn moeder trilde nog van schrik en bleef de man alleen maar aankijken.
Ik gaf mijn nieuwe opa een hand: “Ik ben Lex.” Opa was vrij corpulent en stevig. Vermoedelijk was hij in zijn jonge jaren bokser.
Het was een angstige situatie. Dit waren diezelfde mensen, die bij de waterbron zo met hun kapmessen stonden te zwaaien, flitste het door mijn hoofd. Mijn vader stopte even en keek
wat de mannen gingen doen. Ze bleven op zo’n vier meter afstand naar ons staan kijken.
Door zijn moeder werden we verwend met pisang goreng en een lemper. Zijn zusje Meiske schonk limonade voor ons in.
“Hier alsjeblieft, Alex”
“O, dankjewel hoor.”
Meiske was een lief zacht meisje en had een houding van een echte dame. Volgens mij hoefde ze thuis nooit af te wassen, zo leek het.
Even later gingen Nono en ik weer het strand op.
“Ik ben Brenda,” zei ze lachend, alsof ze blij was dat ik het slachtoffer was. “Ik ben Alex” zei ik een beetje verlegen. Ik zal misschien niet vrolijk hebben gekeken. Moest ik het hele jaar
naast haar zitten? Ik hoopte van niet!
“Waar woon je? vroeg ze met diezelfde lach op haar gezicht, of het er iets toe deed. “Ik, … in Pasir-Putih.”
Mevrouw Roman van Schaik keek of alles wel goed was gegaan en of iedereen wel een plaats had.
Guus mocht het hagelgeweer van zijn vader gebruiken, terwijl hij pas dertien of veertien jaar was. Hij was wel een goede jager, vond ik. Vaak gingen we de rimboe in op jacht naar
rangkoks koemkoems, maleo’s of tjelengs. In mijn eentje zou ik waarschijnlijk al gauw verdwaald zijn geraakt en de weg terug nooit meer hebben gevonden.
Meneer Jansen is nog wel bij meneer Convens op visite geweest. De vader van Manneke moest er alleen om lachen en was niet van plan om zijn zoon te straffen.
Mellenbergh
Ik keek naar rechts. De man lachte me vanuit zijn bed vriendelijk toe.
“Hoe gaat het met je? Heb je veel pijn? Ik ben Mellenbergh,” zei hij.
“Ik ben Alex,” zei ik voorzichtig om mijn buik niet al te veel te belasten.
Kebarvlakte
Arthur, Guus, Ongkie en ik deden ons wederom te goed aan geroosterde cassave uit Saoekorem.
Ongkie begon ineens een bekend liedje te zingen: ”Djalan, djalan ke Mangoapi. Kasbi, kasbi melolo……” Dat was een soort ‘Langs de bossen, langs de heide,’ maar dan in de versie
die volgens mij door een Mangoapiaan was geschreven.
Arthur vroeg aan één van de gidsen: “Masih djaoeg?”
‘Olifantspoot’ antwoordde: “Tidak, dekat”
Rooms Katholieke School
Op die eerste schooldag was het, net als het voorgaande schoolaar, gezellig in de volle schoolbus. Iedereen was op tijd en de twee nieuwe buurmeisjes kregen veel aandacht, niet
alleen van de meisjes, maar ook van de jongens, waar Daisy volgens mij wel van genoot. Voor Suzan, de jongste en drukste van de twee zusjes, was het duidelijk een nieuw avontuur.
1958 - Het jaar van de bootvluchtelingen

Foto: Ron, Johan en Ben Sigarlaki
Helaas hebben wij vorig jaar van Johan en nu van Ron afscheid moeten nemen.
(Vandaag 12 april 2010 was ik nog bij Ron om als goede vriend van hem afscheid te nemen.)
Ben, Lia en familie, heel veel sterkte nog toegewenst!!
Dankzij Bennie heb ik veel over hun achtergrond en ervaringen mogen vertellen!
Omdat de drie Sigarlaki’s tot deze groep behoorden en ik goed met de jongens kon opschieten, heb ik na een interview met Benny Sigarlaki het volgend ‘verhaal’ kunnen maken.
Al snel werd een plan beraamd.
Doordat o.a. enkele telegrafisten aan boord ook Menadonees waren, was het vrij eenvoudig om een telegrafisch bericht te versturen. Noord Celebes (Menado) leefde op dat moment
in onmin met Djakarta.
Een bericht werd verstuurd naar het Nederlands Marineschip de ‘Kortenaar’ met de vraag om toestemming en assistentie bij hun voorgenomen vlucht uit Indonesië.
Nadat van de ‘Kortenaar’ een positief bericht binnen kwam, werden de plannen zo snel mogelijk gerealiseerd.
BIAK
Terwijl wij naar binnen gingen, zagen we achter de balie al een paar mannen vriendelijk lachend naar ons kijken.
“Ha, dat zijn vast onze nieuwe collega’s.” hoorde ik een van hen zeggen.
“Ja, ik heb hier twee mannen, die ons komen versterken, Ferry Severijn en Alex Bal uit Manokwari. ”
We gaven de heren een hand, terwijl zij zich voorstelden:
“Luther Pararawai”,” Lekranski”,” Samson”, “Cor Suripatti”, “Paul Sitter”, Micky Mandaka.
Even verderop stonden twee heren ook al met uitgestrekte hand: “Menick”, “Rodenburgh.”
1961-1963 Spannende tijden
Met veel onthullingen, danzij de bijdrage van een oud-marineman van de onderzeebootjager Hr.MS.Overijssel !!

Mijn collega werd alleen maar actiever in het beluisteren van de berichten en werd zelfs steeds optimistischer, terwijl alle andere collega’s de berichten angstvallig volgden.
Het leek er zelfs veel op, dat hij wachtte op zijn D-day, de dag waarop hij bevrijd zou worden van de Nederlandse bezetter.
Met trots in zijn ogen vertelde hij steeds openlijker over de vorderingen van het Indonesisch leger.
De Papoea’s begrepen niet goed, wat hun overkwam en wat hun nog te wachten stond.
Nederland had immers hun zelfbeschikking in het vooruitzicht gesteld.
Er vond een grootscheepse demonstratie plaats tegen de komst van Indonesië.
Tijdens mijn werk constateerde ik, dat er een hele drukte aan de haven was. Omdat ik het niet helemaal vertrouwde, liep ik in de mensenmassa mee. Ik was net op tijd voor het
historisch schouwspel. Een aantal landingvaartuigen met wapperende roodwitte vlaggen en volgeladen met gewapende Indonesische militairen voeren de haven van Manokwari
binnen en maakten zich gereed voor de kustlanding.Ik was net op tijd om daar getuige van te zijn.
Een nieuw tijdperk was aangebroken. De situatie was onwerkelijk.
Ik dacht, dat ik nog voldoende tijd had, alvorens het Indonesisch leger hier de macht zouden overnemen. Vluchten kon niet meer, was mijn conclusie.
Die kwam toen in oktober 1962 samen met een echte Indonesische Kolonel of zoiets bij ons op bezoek na sluitingstijd van de winkel, dus gewoon op huisbezoek via de ingang van
het platje in de straat naar Borasi.
Ik keek even om het hoekje en zag Scarface nog niet uit het toilet komen. Ik had nog wel een appeltje met hem te schillen.
Hollandia,
Commando Zeemacht werd ingeschakeld en toen ‘Hr.Ms. de Luymes’ de baai invoer, kwamen twee Papoea's, waaronder het kamponghoofd, zwemmend naar de boot. Deze werden
door mariniers, aan boord van de Luymes opgepikt en die vertelden wat er was gebeurd. De mariniers kregen toen al vuur.
..... op 15 augustus 1962 Manokwari tot op 10 mijl waren genaderd ....
Vóór zijn vertrek kwam hij naar mij toe met zijn albino Papoea-vriend Putih (Witje) en zei: “Lex, voor ik straks weg ben, wil ik je nog even iets geven: deze ploertendoder om je te
verdedigen. Hopelijk zul je het niet nodig hebben, maar voor je veiligheid is het altijd beter om iets te hebben.
Zijn onknap gezicht werd nog meer ontsierd door een groot litteken dwars over zijn gezicht.
De andere TNI-ers luisterden aandachtig naar zijn verhaal en hadden ieder keer veel plezier.
Het was duidelijk, dat ze para’s waren, kortgeleden gedropt in de buurt van Wageo, aan de westkant van de Vogelkop of ergens in Zuid Nieuw-Guinea.
De vijand was door zijn slimme plannen mooi in een hinderlaag getrapt.
“Hebat, hebat” (Machtig, machtig) waren steeds zijn geijkte woorden aan het eind van ieder stukje verhaal, dat door zijn vrienden steevast werd beloond met een uitbundig gelach.
Voor een eenvoudig bakje roedjak of petjel kon je terecht bij mevrouw Alexander aan de Fanindiweg.
Muziek werd begin jaren 50 verzorgd door Hawaï Band van Rudi van Dalm, later opgevolgd door de band van de jongens Huiting.
Met de entree van de Rock kwam de Hell Cats met Edo Hartsteen, Rob Latuperissa en gastspeler Maurice De La Croix.
Ook Ron en Bennie Sigarlaki brachten de populairste instrumentale stukken graag ten gehore.
Zanger Manne Böck liet toen ook al goed van zich horen en was een grote concurrent van Cliff Richard en Elvis Presley.
Met een goede manager zou Manne waarschijnlijk meer hebben bereikt dan de Pelvis.
Mijn vader nam een kantoorbaan aan en we verhuisden naar het hoofdgebouw van het huis van tante Ang met Henny Lutsow, mevrouw Brouwer en een vrouw
(waarvan ik de naam ben vergeten) die altijd in een witte jurk liep en zwerfkatten verzorgde.
Om Alex gezelschap te houden bleef ik met hem in het huis aan de Fanindiweg wonen.
Thijs Warella, Rudy Muller en een aardige doofstomme Papoea bleven met mij in het huis aan de Fanindiweg.
Met ons drieën hadden we ontzettend veel lol.
De Papoeajongen hadden we ‘in dienst' genomen, vanwege zijn uitstekende kookkunsten.
Allerlei geruchten deden daarna de ronde. Vriend ‘Putih’, de Papoea albino was van de aardbodem verdwenen. Hij zou
door zijn blanke uiterlijk zijn opgepakt.
Ik zag een Indonesische militair, staand achter op een scooter, met een pistool in zijn hand, schreeuwend en in de lucht schietend over de Fanindiweg rijden, rakelings langs
mijn huis. Het was goed mis.
Alle inwoners, ook ik, bleven in huis hopend op het ingrijpen van het UNTEA-leger.
Hij stopte en keek mijn richting uit.
“O, ini blanda ketingal”
Weg wezen!
Er was geen tijd om even stil te staan. Om je af te vragen of Nederland wel het geschikte land voor je was.
Weg wezen!
Er was geen tijd om even stil te staan, om je af te vragen of Nederland wel het geschikte land voor je was.
Slotwoord:
De opzet van mijn boek was, om in mijn verhaal zo dicht mogelijk bij mijn biografie te blijven en niemand te schaden.
Gezien het feit, dat de tand des tijds toch een aanslag op mijn geheugen heeft gepleegd, heb ik me, om het leesplezier zoveel mogelijk in stand te houden, soms net buiten de realiteit
van de gebeurtenissen in mijn leven moeten begeven.
In de hoofdstukken Indiё en Nederlands Indiё zijn fictieve perso-nen genoemd en situaties geschreven, waarin ik ‘het beeld’ van mijn voorouders en het ontstaan van ‘de Indo’ heb proberen
te verwerken.
Geschiedenis
In mijn boek heb ik me bewust zo veel mogelijk bezijden de politiek gehouden. Toch ben ik me er van bewust, dat de geschiedenis vele slachtoffers heeft gemaakt bij vele Nederlanders:
de Nederlands Indische gemeenschap en zeker niet op de laatste plaats de Papoea’s.
Ook de vele Nederlanders, militairen en burgers die daar een grote inbreng hadden in de ontwikkeling of veiligheid van het land.
Kort belicht:
De Papoea’s, die door veel beloftes flink teleurgesteld, in eigen huis, zijn achtergebleven, met uitzondering van hun Politieke lei-ders en zij, die in dienst waren van het Nederlands Gouvernement.
De Papoea Vrijwilligers Korps, opgeleid door ons leger en klaar gestoomd voor zelfstandigheid van hun volk is ontmanteld door het Indonesisch leger. Zonder de steun van Nederland waren ze
niet in staat het land zelf te verdedigen, waardoor het volk totaal aan de macht van Indonesië was overgeleverd en de gevolgen moesten ondergaan.
Begrip heb ik ook voor de diepe teleurstelling van alle Neder-landse militairen van Marine, Landmacht en luchtmacht en niet te vergeten het Papua Vrijwilligers Korps, die daar in de strijd hun leven
hebben gewaagd en sommigen hebben gelaten. Ook zij leven nog steeds mee met de Papoea’s waar ze voor hebben gestreden. Dat zijn dingen, die we niet mogen vergeten.
De Molukse gemeenschap in Nederland, die zich in moeilijke tijden altijd hun leven had gewaagd voor de driekleur, hun familie ver achter zich moest laten, heel lang veel moeite had met de puur
Nederlandse cultuur, maar zich dan toch steeds meer in hun lot heeft berust.
De Indische gemeenschap, die als ‘Nederlanders’ zijn ‘terugge-keerd’ van een eeuwenlang avontuur en als een buitenechtelijk kind, veel over zich heen heeft laten gaan en gemoedelijk is
geassimileerd, ondanks het feit dat zij generaties lang als Indone-siërs zijn gezien.
Nu de betrekkingen met Indonesië tot een redelijk niveau is her-steld zie je steeds meer dat de Molukkers en de ‘Indo’s’ hun moederland graag bezoeken. Voor mij is het duidelijk, dat deze
gemeenschap het gemis van hun ‘moeder’ altijd heeft gehad. Hun moeder, dat toen als ‘vijand’ is verklaard.
Alex Bal